Samen met Wietse reis ik donderdag 28 augustus, de vierde dag in China, naar Tianjin. ’s Ochtends om 9 uur staat het zweet me alweer op het voorhoofd op het moment dat ik hopeloos met een gebakken ei gerold in deeg met wat groenten als ontbijt in de hand een taxi probeer aan te houden. Allemaal vol. Uiteindelijk besluiten we de metro te nemen. Verstand op nul. Gewoon de lange trap af gaan met alle zware bagage in de hand. In de metro raak ik aan de praat met een Chinees vrouwtje. Ze vrolijkt me op met haar gezellige praatjes. Ze is net 60 geworden. Een eervolle leeftijd in China. Ze is helemaal onder de indruk van m’n rugzak. Overal vakjes waar je iets in kwijt kan. ‘Heb je die hier gekocht?’ vraagt ze. Ze helpt me de roltrap op omhoog. Met ‘Man man zou, xiaoxin ah’, ‘Doe het rustig aan, voorzichtig’, zegt ze me weer gedag. Uiteindelijk komen we doodmoe aan bij het enorme treinstation-Zuid van Beijing. Ik moet nog erg wennen aan hoe groots het hier is. Alles vind ik overdreven lux en chique lijken in contrast met het gedrag van de Chinezen. Zo lopen mannen gekleed in een nette broek en een shirt met daarop in groot gedrukte letters ‘PRADA’ rustig de Starbucks binnen om daar hun net gekochte Kentucky Fried Chicken op te eten. Na een hele lange tijd in de rij lukt het me twee tickets te bemachtigen. Twee uur later zitten we in de hogesnelheidstrein van 300 km per uur richting Tianjin. Wat ik door de smog nog kan zien als ik uit het raam kijk zijn enorm veel flatgebouwen en hijskranen, stenen huisjes aan de rand van vervuilde rivieren en grasvelden zonder dieren. Die zullen daar ook niet kunnen leven denk ik. We stappen uit bij Tianjin station-West. We willen de lift naar beneden nemen. Samen met een groepje andere Chinezen wachten we een half uur voordat we te horen krijgen dat de lift kapot is. We lopen een eindje door en nemen de lift verderop om vervolgens te ontdekken dat die niet naar beneden gaat. Vandaar dat al die Chinezen de trap namen. Ik vond het al redelijk rustig bij de lift. We lachen en beginnen de zware tocht de hoge trap af. De smog en warmte geven me een benauwd gevoel. We worden opgewacht door Chen Wenxiu 陈文秀.James, een Chinees die ik een jaar geleden heb leren kennen in Nederland, had dat voor mij geregeld. James en Wenxiu zijn goede vrienden en kennen elkaar van de tijd dat ze samen in China studeerden. Ze hebben elkaar nu al 5 jaar niet gezien. Omdat hij geen woord Engels kan, vraag ik in m’n beste Chinees: ‘Je gaat bijna trouwen, hoorde ik’. Hij knikte trots en nodigde me uit ook naar zijn trouwerij te komen. Ergens volgend jaar is het zover. Hij regelt dat we met een taxi naar de campus kunnen en begeleidt ons de hele verdere dag tot na het avondeten. Ik voel me bezwaard vanwege het feit dat hij perse voor elke taxirit en ons diner wil betalen. M’n eerste ervaring met het cultuurverschil. Het wordt echt vechten als je wat wil betalen, maar waar de grens ligt weet ik niet. Wietse en ik worden met de neus op de feiten gedrukt. We zijn niet zo Chinees als we misschien hadden gedacht. De lessen in praktijk brengen is een sport van een heel ander kaliber. ‘Ik ben hele goede vrienden met James’, geeft hij als een soort verweer tegen ons aandringen. Overmorgen gaat hij ons rondleiden door Tianjin. Doodmoe en met m’n hoofd vol gedachten plof ik neer op bed in het redelijk primitieve, maar leuke kamertje waar ik een half jaar ga verblijven. In het Chinees dingen kunnen regelen en met mensen kunnen communiceren vond ik zo leuk aan deze dag dat ik met een enthousiast en voldaan gevoel in slaap val.

De warme, vochtige deken omringt me zodra ik de onregelmatige weg voor gebouw 4 op loop om de campus te verkennen, op zoek naar ontbijt. Als snel komen twee Chinese vrouwen op me afrennen. Ze vragen of ik van kinderen houd en hen Engelse les wil geven. Zodra ik vraag hoe het precies in z’n werk gaat, slaan ze een zucht van verlichting. Alsof ze volledig aanvoelen dat me dat leuk lijkt om te doen. Na veel complimenten over m’n Chinees geven ze al giechelend hun telefoonnummers. Die middag sta ik met m’n klasgenootjes in een grote Chinese winkel met daarin ontzettend veel kleine gangetjes en kraampjes. Ze nemen wat noedels. Een oudere man biedt me een zitplaatsje aan. Een wankelend krukje. Hij begint een gesprekje. ‘Waar kom je vandaan?’, ‘Oh, daar hebben ze mooie bloemen en de lucht is daar mooi, nietwaar?’ Zo praten we nog wat door over koetjes en kalfjes. Uit het niets vraagt hij of ik Confucius ken en of ik ook Chinese geschiedenis lessen krijg op school. Ik beaam het. ‘Yesu ma?’, ‘Jezus, ken je hem?’ Ik meen uit z’n woordenstroom ook ‘bijbel’ te verstaan. Hij staat op en loopt z’n kleine, rommelige winkeltje in. ‘Kom eens. Dit is de nieuwe versie.’ Hij kijkt me aan. ‘Ik zou de oude heel graag willen.’ We kijken elkaar even in de ogen. De sprankeling in z’n ogen ontroerd me. Het gaat me allemaal wat snel. Ik zoek naar woorden. ‘Ik hou ook heel veel van Jezus.’ Hij knikt. ‘Je vrienden gaan weer weg.’ Ik kijk nog een keer om en roep: ‘Ik zoek u weer op.’ Ik probeer de plek in m’n hoofd te prenten. Al die winkeltjes lijken op elkaar. Een beetje overdonderd loop ik het gebouw uit. Ik vraag me af hoe ik aan een oude Chinese bijbel vertaling zou kunnen komen en heb mezelf een nieuw doel gesteld. ‘Wat voor inhoudelijke gesprekken had je nu weer Lieuwkje?’ ‘Hij vertelde me dat hij een oude bijbel vertaling wilde’ ‘Oh! En die tref jij net!’

Wenxiu komt ons om 10 uur tegemoet lopen. ‘Hebben jullie al gegeten?’ We lopen een eettentje in. Hij bestelt en betaalt het ontbijt. Deze dag moet ik maar over me heen laten komen. Hij is de gastheer. Wij zijn de gasten. Hij zal alles doen het ons naar de zin te maken. Hij laat ons alle hoogtepunten van Tianjin zien. Omdat Tianjin aan het einde van de 19e eeuw als een van de eerste steden is opengesteld voor buitenlandse handel zijn er concessiewijken gebouwd in de westerse stijl. Op sommige plekken is het dan ook net alsof je door Europa loopt. In vergelijking met de Chinese bouw er omheen vind ik het apart lijken. We gaan wat koffie drinken in een shopping mall waarvan ik nog nooit een grotere heb gezien. Een ijsbaan past er makkelijk in en lijkt zelfs nog relatief klein. Absurd, ongelofelijk, bizar, niet normaal en heftig. Dat waren onze woorden die dag om alles wat we zagen te omschrijven. Die avond wandelen we in een parkje voor het reusachtige gebouw. We zijn alle drie stil en lopen rustig langs het water. Heerlijk, dat frisse windje. We komen bij een plein uit waar twee grote groepen Chinezen staan te dansen. De sfeer kan ik moeilijk in woorden omschrijven, maar ik was even in een andere wereld. Het spektakel was gewoon aandoenlijk om te zien. Niemand die ook maar iets afweek van de voorgedane bewegingen, behalve Wietse en ik. Ik zag Wenxiu lachen. Ik vraag me af wat er deze dag in zijn hoofd is omgegaan.